Artikel 13. Getuigen
1. De Rijdende Rechter bepaalt of en zo ja, welke getuigen worden gehoord.
2. Indien een partij getuigen gehoord wil zien, dient hij deze zelf mee te nemen naar de hoorzitting. De tegenpartij en de secretaris dienen daarvan tijdig te worden verwittigd. Met toestemming van de tegenpartij kunnen ook niet behoorlijk aangezegde getuigen worden gehoord. Dit alles onverminderd de in lid 1 verwoorde vrijheid van de Rijdende Rechter, om de voorgestelde getuigen al dan niet te horen.
3. De Rijdende Rechter mag op eigen initiatief op de hoorzitting verschenen personen als informant horen.

